ECLI:NL:CRVB:2024:75
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en weigering nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante ontvangt sinds 2012 een nabestaandenuitkering op grond van de ANW. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) beëindigde deze uitkering per 1 januari 2021 omdat het jongste kind van appellante 18 jaar werd. Appellante stelde dat zij meer dan 45% arbeidsongeschikt is en recht heeft op voortzetting van de uitkering. Na medisch en arbeidsdeskundig onderzoek door het UWV werd vastgesteld dat haar arbeidsongeschiktheid 25,05% bedraagt.
De Svb besloot daarop de uitkering niet opnieuw toe te kennen en herzag de uitkering over de jaren 2019, 2020 en november 2020 vanwege gewijzigde inkomenssituaties, waaronder de kostendelersnorm. Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige van het UWV bevestigden de eerdere bevindingen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de Svb terecht handelde. In hoger beroep voerde appellante aan dat het medisch onderzoek niet door een verzekeringsarts was uitgevoerd en dat haar klachten onvoldoende waren meegewogen. De Raad verwierp deze stellingen, oordeelde dat het onderzoek onder supervisie van een verzekeringsarts plaatsvond en dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld. Ook de herzieningsberekeningen werden bevestigd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, waarmee de herzieningen en weigering van de nabestaandenuitkering standhouden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering en herziening van de nabestaandenuitkering blijven in stand.