Appellante, die sinds 1999 een Wajong-uitkering ontvangt, vroeg in januari 2021 bij het UWV een starterskrediet aan voor haar onderneming. Na een arbeidskundig onderzoek concludeerde het UWV dat het starten van een eigen bedrijf voor haar geen reële optie was vanwege haar functionele beperkingen. Het UWV weigerde daarom het krediet toe te kennen, wat ook in bezwaar en beroep werd bevestigd.
De rechtbank Rotterdam oordeelde dat het UWV beoordelingsvrijheid heeft en dat de afwijzing slechts terughoudend getoetst kan worden. De rechtbank vond de weigering redelijk onderbouwd met rapporten waarin werd aangegeven dat appellante beperkt is in persoonlijk en sociaal functioneren en problemen kan ondervinden bij zelfstandig ondernemerschap.
Appellante stelde dat het starten van een bedrijf wel degelijk een reële optie is, maar kon dit niet onderbouwen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank en het UWV, benadrukt de discretionaire bevoegdheid van het UWV en wijst het hoger beroep af. Appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.