Uitspraak
PROCESVERLOOP
A.M.M. Schalkwijk.
Centrale Raad van Beroep
Appellante verzocht compensatie van een transitievergoeding die zij aan een langdurig zieke werkneemster betaalde na beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De aanvraag werd afgewezen omdat niet was voldaan aan de wettelijke voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst pas na het verstrijken van het tweejarige opzegverbod tijdens ziekte mocht eindigen, zoals bepaald in artikel 7:673e van het Burgerlijk Wetboek.
De rechtbank en de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat de wetgever bewust heeft gekozen voor deze strikte regeling en dat er geen ruimte is voor uitzonderingen, ook niet in het geval van toekenning van een IVA-uitkering na een verkorte wachttijd. Appellante voerde aan dat bijzondere omstandigheden, zoals haar publieke karakter en de specifieke situatie van de werkneemster, toepassing van het evenredigheidsbeginsel rechtvaardigen, maar dit werd verworpen.
De Raad benadrukte dat toetsing aan algemene rechtsbeginselen niet mogelijk is bij een wet in formele zin en dat uitzonderingen op het opzegverbod uitputtend in de wet zijn geregeld. De compensatieregeling is duidelijk en werkgevers konden hun gedrag hierop afstemmen. De afwijzing van de compensatieaanvraag blijft daarom in stand en appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De aanvraag voor compensatie van de betaalde transitievergoeding wordt afgewezen omdat de arbeidsovereenkomst is beëindigd vóór het verstrijken van het tweejarige opzegverbod tijdens ziekte.