Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1982 en houder van de Nederlandse nationaliteit, vertrok in 2015 of 2017 naar Marokko en keerde op 12 augustus 2021 met zijn gezin terug naar Nederland, waar hij zich inschreef in de BRP. Op 16 september 2021 vroeg hij kinderbijslag aan voor zijn kind geboren in 2009. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat appellant op de peildatum 1 oktober 2021 geen duurzame persoonlijke band met Nederland had en dus niet als ingezetene kon worden beschouwd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat de langdurige afwezigheid van vier jaar de persoonlijke banden met Nederland had verbroken. Bij terugkeer woonde appellant bij zijn moeder, had geen eigen woonruimte, geen werk en slechts beperkte bindingen buiten zijn familie. Dit was onvoldoende voor ingezetenschap op de peildatum.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij wel een vast adres en woonruimte had en zich definitief wilde vestigen, maar de Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat de duurzame band ontbrak. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, waardoor het bestreden besluit in stand bleef en appellant geen recht op kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2021 heeft.
Uitkomst: Appellant heeft over het vierde kwartaal van 2021 geen recht op kinderbijslag omdat hij op de peildatum geen ingezetene van Nederland was.