Appellant was getrouwd maar gescheiden volgens een vonnis dat niet in de burgerlijke stand is ingeschreven. Vanaf 2010 ontving hij een AOW-pensioen voor ongehuwden omdat werd aangenomen dat hij duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) herzag dit in 2020 en stelde dat vanaf februari 2017 geen sprake meer was van duurzaam gescheiden leven, waarna het pensioen werd herzien naar de gehuwdennorm.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en handhaafde de herziening. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij en zijn echtgenote slechts een vriendschappelijke relatie hadden en niet gezamenlijk overnachtten, hoewel zij vanaf 2021 weer samenwoonden.
De Raad oordeelde dat het huwelijk niet was ontbonden en dat de feitelijke omstandigheden, zoals gezamenlijk eigendom van de woning, wederzijdse financiële bijdragen, dagelijks contact en presentatie als gehuwd, wezen op het ontbreken van duurzaam gescheiden leven vanaf februari 2017. Het feit dat zij niet altijd samen overnachtten was niet doorslaggevend.
Daarom werd het hoger beroep verworpen en het bestreden besluit gehandhaafd. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 16 mei 2024.