ECLI:NL:CRVB:2025:1026
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vergoeding transitievergoeding stichting wegens uitsluiting in Besluit
Appellante, een stichting, verzocht het Uwv om compensatie van de transitievergoeding die zij aan vijf ex-werknemers betaalde wegens bedrijfsbeëindiging. Het Uwv wees deze aanvragen af omdat stichtingen niet in aanmerking komen voor compensatie volgens artikel 4 van Pro het Besluit bij beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en bevestigde de afwijzing.
In hoger beroep voerde appellante aan dat er sprake was van een nauwe verwevenheid tussen de stichting en een B.V. waarvan een natuurlijk persoon directeur-grootaandeelhouder was, waardoor de situatie gelijk zou zijn aan de compensatievoorwaarden in artikel 4 van Pro het Besluit. De Raad oordeelde echter dat de wetgever bewust stichtingen uitsluit van compensatie, omdat de continuïteit van een stichting doorgaans niet afhankelijk is van een natuurlijk persoon zoals bij eenmanszaken of vennootschappen.
De Raad benadrukte dat artikel 4 van Pro het Besluit expliciet de situaties omschrijft waarin compensatie mogelijk is, en dat een stichting niet in die opsomming voorkomt. De motieven van de wetgever, zoals het voorkomen van aanspraak op privévermogen bij pensionering of overlijden van een natuurlijk persoon, zijn niet van toepassing op stichtingen. Daarom is er geen ruimte voor een materiële beoordeling zoals door appellante bepleit.
Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Appellante kreeg geen vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak werd gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 2 juli 2025.
Uitkomst: De aanvraag van de stichting voor vergoeding van betaalde transitievergoedingen is afgewezen omdat stichtingen zijn uitgesloten van compensatie volgens artikel 4 van het Besluit.