Appellant 2, met psychische klachten en verslavingsproblematiek, vroeg een persoonsgebonden budget (pgb) aan voor individuele en groepsbegeleiding. Het college wees de aanvraag af omdat appellant 2 niet in staat was de pgb-taken verantwoord uit te voeren en de voorgedragen hulpverlener onvoldoende kwaliteit bood, mede gebaseerd op een IGJ-rapport.
De rechtbank oordeelde deels anders, maar de Raad vernietigt het oordeel dat appellant 1 belanghebbende is en verklaart zijn bezwaar niet-ontvankelijk. De Raad bevestigt dat het college terecht de aanvraag afwees wegens onvoldoende waarborg voor veilige en doeltreffende ondersteuning. Appellant 2 werkte niet mee aan nader onderzoek, waardoor het bezwaar tegen het nieuwe besluit ongegrond bleef.
Verder is vastgesteld dat de procedure de redelijke termijn overschreed, waardoor appellant 1 een schadevergoeding van €1.500,- krijgt, te betalen door de Staat en het college. Proceskosten en griffierechten worden eveneens aan appellant 1 toegekend.
De uitspraak benadrukt het belang van een eigen, actueel belang voor belanghebbenden en bevestigt de toetsing van pgb-aanvragen aan veiligheid en kwaliteit van ondersteuning volgens de Wmo 2015.