ECLI:NL:CRVB:2025:1068
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever
Werkneemster, werkzaam bij de gemeente Rotterdam, meldde zich ziek vanwege ernstige gewrichtsklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV beoordeelde dat het college onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht, mede omdat de bedrijfsarts een re-integratie blokkerend advies had gegeven dat niet in overeenstemming was met de functionele mogelijkhedenlijst (FML).
Het UWV verlengde het recht op loon tijdens ziekte met 52 weken en legde een loonsanctie op aan het college. De rechtbank verklaarde het beroep van het college ongegrond en oordeelde dat het college onvoldoende had gedaan om re-integratiekansen te benutten, vooral binnen het eerste spoor. Het college voerde in hoger beroep aan dat de marginale belastbaarheid en medische situatie van werkneemster re-integratie in het tweede spoor onmogelijk maakten en dat het advies van de bedrijfsarts leidend was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV voldoende heeft onderbouwd dat de bedrijfsarts zijn professionele marge heeft overschreden en dat het college zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. De Raad bevestigt dat bij marginale mogelijkheden van de werknemer de werkgever zich moet inspannen om deze te benutten, vooral binnen de eigen organisatie. Het hoger beroep wordt verworpen en de loonsanctie blijft in stand.
Uitkomst: De loonsanctie tegen het college wordt bevestigd wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen ondanks marginale belastbaarheid van werkneemster.