ECLI:NL:CRVB:2025:1084
Centrale Raad van Beroep
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit UWV over WIA met medische onderbouwing en proceskostenveroordeling
De zaak betreft hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant over een WIA-uitkering. De Raad stelde in een tussenuitspraak vast dat het UWV het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig had uitgevoerd, omdat de werkneemster niet door een geregistreerde verzekeringsarts was onderzocht en er geen informatie was ingewonnen bij de behandelend sector.
Naar aanleiding hiervan heeft het UWV een aanvullend onderzoek laten uitvoeren door een verzekeringsarts bezwaar en beroep, die de werkneemster op spreekuur heeft onderzocht en informatie heeft ingewonnen bij haar behandelaars. Het rapport van 12 november 2024 concludeerde dat de eerder opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) niet hoefde te worden aangepast.
Appellante betwistte de motivering van beperkingen en de duurzaamheid van de situatie per datum in geding. De Raad oordeelde echter dat het aanvullende onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat het medisch oordeel juist was. De gebreken in het oorspronkelijke besluit werden met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro gepasseerd, omdat aannemelijk was dat belanghebbenden niet benadeeld waren.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellante, in totaal €5.539,-. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 9 juli 2025.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.