ECLI:NL:CRVB:2025:1105
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid ondanks gezondheidsklachten
Appellant werkte sinds november 2018 als stukadoor en beëindigde zijn dienstverband per 1 maart 2023 wegens gezondheidsklachten. Hij vroeg een WW-uitkering aan, die het UWV toekende maar niet betaalde vanwege verwijtbare werkloosheid, omdat appellant zelf ontslag nam zonder dat voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat hij onvoldoende aannemelijk maakte dat hij het dienstverband niet kon voortzetten vanwege psychische klachten. Appellant stelde onder druk van zijn werkgever te hebben gestaan en psychische klachten te hebben ontwikkeld, maar leverde geen medische stukken ter onderbouwing.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar ook nu ontbraken medische gegevens die zijn psychische klachten bevestigen. De verzekeringsarts concludeerde dat appellant in staat was de gevolgen van ontslag te overzien en dat voortzetting van het dienstverband niet tot gezondheidsschade zou leiden.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De weigering tot uitbetaling van de WW-uitkering blijft gehandhaafd en appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om de WW-uitkering uit te betalen wegens verwijtbare werkloosheid.