Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het college om haar deelname aan de collectieve Haagse zorgverzekering te beëindigen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen op dit bezwaar niet-ontvankelijk, omdat zij het besluit van 20 april 2021 als beslissing op het bezwaar beschouwde. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat dit onjuist is, omdat het besluit van 20 april 2021 bijzondere bijstand toekent en geen beslissing op het bezwaar betreft.
De Raad stelt vast dat het college pas op 3 mei 2021 op het bezwaar heeft beslist, nadat appellante al beroep had ingesteld. Hierdoor was het beroep ontvankelijk. De Raad volgt het college niet in haar standpunt dat appellante geen procesbelang meer heeft en bevestigt dat appellante recht heeft op vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Ten aanzien van de dwangsom oordeelt de Raad dat het college met het besluit van 3 mei 2021 op het bezwaar heeft beslist, ondanks dat dit besluit later is ingetrokken. De overschrijding van de beslistermijn bedroeg zeven dagen, waarvoor een dwangsom van €161,- is toegekend. Een hogere dwangsom wordt niet toegekend.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep tegen het besluit van 14 juni 2021 ongegrond en veroordeelt het college tot vergoeding van de proceskosten in beroep en hoger beroep, alsmede tot vergoeding en terugbetaling van de betaalde griffierechten.