ECLI:NL:CRVB:2025:1129
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking TOZO-bijstand wegens niet-melding verhuurinkomsten en schending inlichtingenverplichting
Appellant ontving TOZO-bijstand over maart tot en met mei 2020. Het college trok deze bijstand in omdat appellant inkomsten uit de verhuur van twee woningen niet had gemeld, waarmee hij de inlichtingenverplichting zou hebben geschonden.
Appellant stelde dat de verhuur deel uitmaakte van zijn onderneming en dat de inkomsten gesaldeerd moesten worden met zakelijke kosten. Ook voerde hij aan dat de verbruikskosten hoger waren dan door het college erkend en dat hij niet over de inkomsten kon beschikken vanwege een onverdeelde nalatenschap.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende had onderbouwd dat verhuur tot de kernactiviteiten van zijn onderneming behoorde, mede gelet op de KvK-inschrijving en zijn eigen verklaringen. De inkomsten uit verhuur zijn daarom inkomen in de zin van de Participatiewet en kunnen niet worden gesaldeerd met kosten.
Verder kon appellant de hogere verbruikskosten niet aantonen met objectieve gegevens. Ook de stelling dat hij niet over de inkomsten kon beschikken faalde, omdat hij de bedragen op zijn bankrekening ontving en dit niet aannemelijk anders was.
De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het bestreden besluit tot intrekking van de bijstand.
Uitkomst: Hoger beroep tegen intrekking TOZO-bijstand wordt ongegrond verklaard en intrekking bevestigd.