ECLI:NL:CRVB:2025:1163
Centrale Raad van Beroep
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar per 27 juni 2022 geen WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Na medisch en arbeidskundig onderzoek stelde het UWV vast dat appellante slechts 7,29% arbeidsongeschikt is. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en liet het besluit in stand.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank te marginaal had getoetst, dat er inconsistenties waren in de medische onderzoeken en dat de artsen van het UWV niet onafhankelijk zouden zijn. Zij stelde zich volledig arbeidsongeschikt en vond dat zwaardere beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) hadden moeten worden aangenomen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, dat appellante voldoende gelegenheid had gehad om haar standpunten te onderbouwen en dat er geen aanwijzingen waren voor partijdigheid van de verzekeringsartsen. De Raad volgde het oordeel van de rechtbank dat de beperkingen juist waren vastgesteld en dat appellante in staat is de geselecteerde functies uit te oefenen.
Het hoger beroep faalde, de aangevallen uitspraak werd bevestigd en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Appellante kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen blijft in stand.