ECLI:NL:CRVB:2025:1233
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek herziening weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant heeft in 2019 een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering, die door het UWV werd geweigerd omdat hij geen duurzaam arbeidsvermogen had. Na bezwaar en beroep werd deze weigering bevestigd door de rechtbank en de Raad. In 2023 diende appellant opnieuw een aanvraag in, opgevat als een verzoek om terug te komen van het eerdere besluit. Het UWV wees dit verzoek af wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.
Appellant stelde dat hij medische stukken, die zijn beperkingen op zijn achttiende zouden aantonen, niet eerder kon overleggen vanwege het zoekraken van dossiers. Deze stukken dateren echter van vóór het oorspronkelijke besluit. De rechtbank oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij deze stukken niet eerder kon verkrijgen.
De Raad bevestigt dit oordeel en wijst het verzoek tot benoeming van een deskundige af. De Raad benadrukt dat nieuw gebleken feiten feiten of omstandigheden betreffen die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet eerder konden worden aangevoerd. De stukken van appellant vallen hier niet onder. Het hoger beroep wordt afgewezen, waarmee het besluit van het UWV in stand blijft.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen van het besluit tot weigering van de Wajong-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.