ECLI:NL:CRVB:2025:126
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot herziening ZW- en WIA-besluiten wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante heeft verzocht om terug te komen van eerdere besluiten van het UWV uit 2004 en 2011 waarin haar Ziektewet-uitkering werd beëindigd en een WIA-uitkering werd afgewezen. Zij stelde dat zij sinds 2001 arbeidsongeschikt was door parodontitis, maar bracht deze medische informatie niet tijdig in de eerdere procedures naar voren.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. De rechtbank oordeelde dat het UWV zorgvuldig had onderzocht en terecht had vastgesteld dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die herziening rechtvaardigden. De medische stukken die appellante overlegd had, betroffen een brief uit 2001 en algemene informatie over parodontitis, die onvoldoende waren om het eerdere standpunt te wijzigen.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank bevestigd. De Raad concludeert dat de aangevoerde gronden een herhaling zijn van eerdere bezwaren en dat ook de nieuw ingediende stukken geen aanleiding geven tot herziening. Het hoger beroep wordt verworpen en de eerdere besluiten blijven van kracht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de eerdere besluiten van het UWV blijven in stand.