ECLI:NL:CRVB:2025:1262
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant ontving sinds december 2018 bijstand en werkte sinds maart 2020 op basis van een nul-urencontract. Het college legde hem een verplichting op om zijn uren en loonstroken maandelijks in te leveren. Naar aanleiding van een melding en onderzoek stelde het college vast dat appellant mogelijk een onbekende inkomstenbron had, omdat uit bankafschriften bleek dat er nauwelijks uitgaven voor levensonderhoud waren en appellant wisselende verklaringen gaf.
Het college trok de bijstand met ingang van maart 2021 in en vorderde de kosten terug over de periode tot augustus 2021. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het college onvoldoende bewijs had geleverd dat hij de inlichtingenverplichting had geschonden, maar de Raad oordeelde dat het college aannemelijk had gemaakt dat appellant een inkomstenbron verzweeg.
De Raad baseerde dit op de geringe zichtbare uitgaven, de wisselende en niet met feiten strookende verklaringen van appellant over de wijze van levensonderhoud, en waarnemingen dat appellant meer uren werkte dan opgegeven. Hierdoor kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld en was de intrekking en terugvordering terecht. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting wordt bevestigd.