ECLI:NL:CRVB:2025:127
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning Ziektewet-uitkering na bedrijfsongeval ondanks geschil over re-integratieverplichtingen
In deze zaak staat centraal of het UWV terecht per 25 november 2019 aan betrokkene een Ziektewet-uitkering (ZW-uitkering) heeft toegekend na een bedrijfsongeval waarbij betrokkene zijn rechteronderarm brak. Appellante, de voormalige werkgever en eigenrisicodrager voor de ZW, betwistte dit en stelde dat betrokkene ondanks beperkingen in staat was zijn eigen werk te verrichten en daarom geen recht had op de uitkering.
De rechtbank had het beroep van appellante ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot toekenning van de ZW-uitkering in stand gelaten. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak, maar nuanceert de maatstaf voor de beoordeling van arbeidsongeschiktheid. De Raad oordeelt dat de beoordeling niet beperkt mag blijven tot het werk op de laatste werklocatie, maar moet worden verricht aan de hand van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever kenmerkend zijn voor de arbeid van betrokkene.
De Raad stelt vast dat betrokkene op de datum in geschil niet geschikt was voor het werk bij een soortgelijke werkgever, mede vanwege beperkingen bij zwaar tillen en een vermindering van het aantal werkuren. De aangevoerde beroepsgrond dat betrokkene zijn re-integratieverplichtingen niet zou zijn nagekomen, wordt verworpen omdat deze buiten de reikwijdte van het bestreden besluit valt. Tevens wordt een motiveringsgebrek in het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro gepasseerd omdat appellante hierdoor niet is benadeeld.
De Raad veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellante en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed. De toekenning van de ZW-uitkering blijft daarmee ongewijzigd in stand.
Uitkomst: De toekenning van de Ziektewet-uitkering aan betrokkene per 25 november 2019 wordt bevestigd.