ECLI:NL:CRVB:2025:1284
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vergoeding belastingschade na nabetaling WW-uitkering
Appellant, voormalig toegevoegd kandidaat gerechtsdeurwaarder, werd op staande voet ontslagen en ontving een WW-uitkering over meerdere jaren ineens na nietigverklaring van het ontslag. Hij vorderde vergoeding van belastingschade die hij zou hebben geleden door de eenmalige uitbetaling.
Het UWV betaalde de uitkering en wettelijke rente uit, maar wees het verzoek om schadevergoeding af met het argument dat appellant eerst de middelingsregeling bij de Belastingdienst moest toepassen. Na toepassing van deze regeling bleek dat de belastingdruk per saldo niet hoger was dan bij reguliere periodieke betalingen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de door het UWV ingeschakelde belastingadviseur een juiste berekening had gemaakt die aantoonde dat geen belastingschade overbleef. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij toch schade leed en dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld, maar de Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank.
De Raad stelde vast dat het besluit van het UWV onrechtmatig was, maar dat geen schade bestond. Ook het vermeende onzorgvuldig handelen van het UWV werd verworpen omdat alle benodigde gegevens waren betrokken. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek tot vergoeding van belastingschade wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.