Appellant, rolstoelafhankelijk na een cerebrovasculair accident, vroeg bij het college om maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015. Het college wees de aanvraag af en appellant maakte bezwaar. Het college besloot niet tijdig op het bezwaar, waarna appellant het college in gebreke stelde. Het college nam vervolgens een eerste besluit op bezwaar dat het bezwaar ongegrond verklaarde, maar dit besluit was onvolledig en werd later herroepen in een tweede besluit waarin alsnog een persoonsgebonden budget werd toegekend en de dwangsom vastgesteld op €23,-.
Appellant stelde dat het college de maximale dwangsom had verbeurd omdat het eerste besluit onrechtmatig was en het college onzorgvuldig had gehandeld door niet te wachten op een medisch advies. De rechtbank wees het beroep af en handhaafde de dwangsom van €23,-. In hoger beroep oordeelt de Raad dat het college met het eerste besluit in strijd heeft gehandeld met de artikelen 3:2 en 7:11 Awb, omdat het bewust een onvolledige beslissing nam om de maximale dwangsom te vermijden.
De Raad vernietigt het bestreden besluit voor zover het de dwangsom betreft, stelt de dwangsom vast op het maximale bedrag van €1.442,- en veroordeelt het college in de proceskosten en het griffierecht van appellant.