ECLI:NL:CRVB:2025:1315
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mindering PAWW-uitkering op IOW-uitkering door UWV
Appellant was tot 1 maart 2021 werkzaam in loondienst en ontving daarna eerst een WW-uitkering en vervolgens een PAWW-uitkering, die een private aanvulling op de WW is. Vanaf 1 maart 2023 vroeg appellant een IOW-uitkering aan. Het UWV besloot de PAWW-uitkering in mindering te brengen op de IOW-uitkering, waardoor deze niet tot uitbetaling kwam. Appellant maakte bezwaar en stelde dat de PAWW-uitkering niet in mindering mocht worden gebracht.
De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat de PAWW-uitkering als overig inkomen moet worden beschouwd volgens artikel 2:4, eerste lid, onder o, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB). De rechtbank vond dat het feit dat de PAWW een private cao-regeling is, hieraan niets afdoet. Ook viel appellant niet onder de uitzonderingsbepaling van artikel 2:11 AIB Pro.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de PAWW-uitkering onder de uitzondering van artikel 2:11 AIB Pro zou moeten vallen, omdat deze naar aard en strekking overeenkomt met een WW-uitkering. De Raad verwierp dit betoog en bevestigde dat de PAWW-uitkering niet onder de uitzondering valt, omdat deze geen vangnetvoorziening met een minimumbehoeftefunctie is zoals de WW, IOW, Anw, AOW en IOAW. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bleef in stand.
Uitkomst: De PAWW-uitkering wordt terecht in mindering gebracht op de IOW-uitkering, waardoor de IOW-uitkering niet wordt uitbetaald.