ECLI:NL:CRVB:2025:1334
Centrale Raad van Beroep
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verrekening pensioen met WW-uitkering bij gelijktijdig beëindigen dienstverbanden
Appellant was sinds 2002 in dienst bij twee vennootschappen en ontving vanaf juni 2018 een pensioenuitkering. Na beëindiging van beide dienstverbanden per 31 december 2018 vroeg hij een WW-uitkering aan voor de uren bij de tweede werkgever. Het UWV bracht het pensioen in mindering op de WW-uitkering, waardoor deze niet werd uitbetaald. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat de uitzonderingen in het Algemeen Inkomensbesluit (AIB) niet van toepassing waren.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de uitzonderingsbepaling van artikel 3:5, achtste lid, AIB ook geldt bij gelijktijdige beëindiging van twee dienstverbanden en dat het pensioen alleen betrekking heeft op één dienstverband. De Raad oordeelde dat deze uitzondering alleen geldt indien het pensioen reeds in aanmerking is genomen bij een eerder WW-recht, wat hier niet het geval was. De werkloosheid ontstond gelijktijdig voor beide dienstverbanden, waardoor geen eerder WW-recht bestond.
Daarnaast werd een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegewezen. De totale procedure duurde ruim zes jaar, waarvan een deel gerechtvaardigd was door omstandigheden en mediation. De Raad kende een immateriële schadevergoeding toe van €1.000,-, waarvan het UWV en de Staat een deel voor hun rekening nemen. Proceskosten werden eveneens verdeeld over het UWV en de Staat. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het pensioen is terecht in mindering gebracht op de WW-uitkering; het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.