Appellante ontving vanaf juli 2016 een ANW-uitkering, waarbij rekening werd gehouden met haar inkomen uit een WIA-uitkering en toeslag. Vanaf januari 2017 werd een Wajong-uitkering toegekend, wat leidde tot herziening en terugvordering van de ANW-uitkering door de Sociale verzekeringsbank (Svb). Na bezwaar werd de Wajong-uitkering ingetrokken, waardoor de herziening en terugvordering vervielen.
In oktober 2020 werd de Wajong-uitkering opnieuw toegekend, met een nabetaling over de periode november 2018 tot en met oktober 2020. De Svb herzag daarop de ANW-uitkering en vorderde het te veel betaalde bedrag terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de nabetaling terecht als inkomen werd aangemerkt en dat geen dringende redenen bestonden om af te zien van herziening en terugvordering.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de verwarrende beslissingen van het UWV, haar fysieke beperkingen, hoge woonlasten en financiële situatie aanleiding zouden moeten zijn om af te zien van terugvordering. De Raad oordeelt dat de Svb het beleid correct toepaste, waarbij nabetalingen van andere instanties leiden tot terugwerkende herziening. Er is geen sprake van verwijtbaar handelen door partijen en de financiële gevolgen worden bij invordering voldoende meegewogen.
De Raad bevestigt het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond. Appellante krijgt geen vergoeding voor proceskosten. De Svb houdt rekening met de bijzondere omstandigheden bij de invordering, en appellante kan na vijf jaar een verzoek indienen om af te zien van verdere terugvordering.