Appellante ontving sinds 2013 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet. Na een signaal over vermogen boven de vermogensgrens startte het college een onderzoek en constateerde dat appellante een subsidie had ontvangen en vermogen boven de grens bezat. Het college trok de bijstand in vanaf 16 juni 2017 en vorderde kosten terug, met als grondslag een vermeende schending van de inlichtingenverplichting.
In bezwaar wijzigde het college de grondslag naar het bezit van vermogen boven de vermogensgrens, waarmee de eerdere grondslag van schending van de inlichtingenverplichting werd prijsgegeven. De rechtbank oordeelde echter dat appellante de inlichtingenverplichting had geschonden en handhaafde de intrekking vanaf 1 mei 2018.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het college de schending van de inlichtingenverplichting niet opnieuw als grondslag kan gebruiken omdat deze bewust is prijsgegeven, waardoor het oordeel van de rechtbank hierover in strijd is met de goede procesorde. Desondanks blijft de intrekking en terugvordering in stand vanwege het vermogen boven de vermogensgrens vanaf 1 mei 2018. Omdat de grondslag voor de boete vervalt, wordt de boete vernietigd.
De Raad veroordeelt het college tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellante. De uitspraak bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand vanaf 1 mei 2018 en vernietigt het boetebesluit.