De Centrale Raad van Beroep behandelde op 26 augustus 2025 het hoger beroep en het beroep tegen een bestuursrechtelijk besluit betreffende een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Partijen bereikten een schikking waarbij het beroep en hoger beroep werden ingetrokken, met uitzondering van het verzoek om schadevergoeding en proceskosten.
De Raad overwoog dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in beginsel niet langer dan vier jaar mag duren, waarbij de rechterlijke fase doorgaans niet langer dan drieënhalf jaar mag duren. In deze zaak was de redelijke termijn met meer dan een jaar en minder dan anderhalf jaar overschreden, uitsluitend in de rechterlijke fase.
Op grond van vaste rechtspraak heeft verzoeker recht op een immateriële schadevergoeding van €1.500 in totaal. Aangezien de rechtbank reeds €500 had toegekend, werd een aanvullende vergoeding van €1.000 toegekend. Tevens werd een proceskostenvergoeding van €453,50 toegekend voor de kosten van rechtsbijstand.
De uitspraak bevestigt het recht op vergoeding bij overschrijding van redelijke termijnen en benadrukt de normering van termijnen in bestuursrechtelijke procedures.