Appellante vroeg bijstand aan terwijl zij samenwoonde met X, die een auto (auto B) op zijn naam had staan die niet werd gemeld bij de aanvraag. Het college herzag en vorderde bijstand terug wegens verzwegen vermogen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Raad dat appellante de inlichtingenplicht heeft geschonden voor de periode dat de auto op naam van X stond (periode 1), waardoor het gezinsvermogen werd overschreden.
Voor de periode na verkoop van de auto (periode 2) is echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat appellante of X over de verkoopopbrengst kon beschikken. De Raad vernietigt het besluit voor deze periode en draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen. Tevens krijgt appellante een vergoeding van de proceskosten.
De Raad benadrukt dat schulden alleen in aanmerking worden genomen als zij aannemelijk, opeisbaar en afdwingbaar zijn, wat hier niet het geval was. Het college heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de verkoopopbrengst en de betrokkenheid van appellante en X daarbij. Het besluit tot terugvordering wordt daarom deels vernietigd en het college moet opnieuw beslissen.