ECLI:NL:CRVB:2025:1463
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift tegen mededeling beëindiging recht op basisbeurs niet-ontvankelijk verklaard
Appellante ontving sinds september 2018 een prestatiebeurs voor haar hbo-bacheloropleiding, die na het behalen van haar diploma werd omgezet in een gift. De minister kende haar vanaf februari 2023 een prestatiebeurs toe voor een pre-master en een basisbeurs voor de periode september tot en met december 2023. Bij besluit van 14 oktober 2023 werd vastgesteld dat appellante vanaf februari 2024 geen recht meer heeft op de basisbeurs, hetgeen bij besluit van 2 januari 2024 werd herhaald.
Appellante maakte bezwaar tegen het bericht van 2 januari 2024, stellende dat dit bericht een nadere concretisering van het eerdere besluit was en daarom als een nieuw besluit moest worden beschouwd. De minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk en de rechtbank bevestigde dit oordeel, stellende dat het bericht van 2 januari 2024 een mededeling van feitelijke aard is zonder nieuwe rechtsgevolgen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank. Het hoger beroep van appellante faalt omdat zij geen nieuwe gronden heeft aangevoerd die het eerdere oordeel zouden kunnen wijzigen. De Raad benadrukt dat het bezwaar niet ziet op het besluit van 14 oktober 2023 en dat het bericht van 2 januari 2024 geen zelfstandig besluit is. Hierdoor blijft het bestreden besluit in stand en krijgt appellante geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het bezwaar van appellante tegen de mededeling dat zij vanaf februari 2024 geen recht meer heeft op basisbeurs is terecht niet-ontvankelijk verklaard.