ECLI:NL:CRVB:2025:1487
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens vergoeding na beëindiging arbeidsovereenkomst
Appellant ontving bijstand en beëindigde zijn arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden via een vaststellingsovereenkomst, waarbij hij een vergoeding ontving. Het college trok de bijstand in en vorderde terug omdat deze vergoeding als inkomen werd aangemerkt volgens artikel 32 van Pro de Participatiewet.
Appellant voerde aan dat de vergoeding een transitievergoeding was zoals bedoeld in artikel 7:673 BW Pro en daarom geen inkomen, en dat de terugvordering in strijd was met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank wees het beroep af en bevestigde het besluit van het college.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de vergoeding geen transitievergoeding is omdat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd en de vergoeding vrij besteedbaar was. Daarom is het inkomen in de zin van de Participatiewet. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt omdat appellant zijn financiële en medische situatie onvoldoende onderbouwde.
Het hoger beroep wordt verworpen, de intrekking en terugvordering van de bijstand blijven in stand en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand omdat de vergoeding als inkomen wordt aangemerkt en het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt.