ECLI:NL:CRVB:2025:1488
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens loondoorbetalingsverplichting werkgever als voorliggende voorziening
Appellant was sinds februari 2017 in dienst bij zijn werkgever. Met een vaststellingsovereenkomst in juli 2022 werd het dienstverband beëindigd per 1 augustus 2022. Appellant vroeg bijstand aan vanaf 1 november 2021, maar het college wees deze af omdat de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever volgens hen liep tot 20 november 2021, waardoor sprake was van een voorliggende voorziening.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de loondoorbetalingsverplichting op 31 oktober 2021 was geëindigd en hij vanaf 1 november 2021 geen loon meer ontving. Deze stelling kon hij echter niet aannemelijk maken; ter zitting erkende zijn gemachtigde dat hiervoor geen stukken bestonden.
De Raad concludeerde dat uit de vaststellingsovereenkomst en het UWV-besluit van december 2021 blijkt dat de loondoorbetalingsverplichting tot 20 november 2021 liep. Daarom was het college terecht uitgegaan van een voorliggende voorziening. Het hoger beroep werd afgewezen en de afwijzing van de bijstandsaanvraag bleef in stand. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen omdat de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever tot 20 november 2021 liep.