ECLI:NL:CRVB:2025:1500
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen onder no-riskpolis
Appellante, werkgever van een ex-werkneemster die onder de no-riskpolis viel, kreeg van het Uwv een loonsanctie opgelegd omdat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht in het tweede spoor. De ex-werkneemster was sinds mei 2021 ziek gemeld en had een WIA-aanvraag ingediend. Appellante had aanvankelijk verzuimd de re-integratieverplichtingen te erkennen, wat zij later corrigeerde door het inschakelen van een bedrijfsarts en een re-integratiebedrijf.
Het Uwv stelde vast dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende waren en verlengde de loondoorbetalingsperiode met 52 weken. Appellante verzocht om bekorting van deze periode, stellende dat het traject in het tweede spoor was afgerond en verdere begeleiding niet mogelijk was. Dit verzoek werd afgewezen omdat het traject voortijdig was beëindigd zonder medische onderbouwing.
De rechtbank oordeelde dat appellante verantwoordelijk bleef voor de re-integratie ondanks de no-riskpolis en dat zij tekort was geschoten in haar verplichtingen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en wees erop dat de bedrijfsarts en arbeidsdeskundige voldoende hadden aangetoond dat er re-integratiemogelijkheden waren en dat het traject niet adequaat was afgerond. Het beroep van appellante werd ongegrond verklaard en de loonsanctie en duur daarvan werden gehandhaafd.
Uitkomst: De loonsanctie en de weigering tot bekorting daarvan worden bevestigd wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen.