Appellant vroeg op 17 april 2023 een Wajong-uitkering aan vanwege een laaggemiddeld IQ, autisme en PTSS. Het UWV concludeerde na onderzoek dat appellant geen arbeidsvermogen had, maar dat dit niet duurzaam was, en weigerde de uitkering. De rechtbank bevestigde dit besluit. Appellant ging in hoger beroep en stelde dat het UWV onvoldoende had onderbouwd dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam was.
De Raad oordeelt dat appellant op de aanvraagdatum geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie had door het ontbreken van basale werknemersvaardigheden. Het UWV moest aannemelijk maken dat deze vaardigheden zich nog konden ontwikkelen, wat onvoldoende is gebeurd. Uit medische rapporten blijkt dat ondanks ontwikkelingsmogelijkheden, de specifieke situatie van appellant met ernstige beperkingen en intensieve begeleiding niet leidt tot duurzaam herstel van arbeidsvermogen.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en het vonnis van de rechtbank, verklaart het hoger beroep gegrond en draagt het UWV op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, uitgaande van het duurzame ontbreken van arbeidsvermogen bij appellant. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.