ECLI:NL:CRVB:2025:1514
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens onvoldoende duurzaam arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na achttiende verjaardag
Appellant heeft een Wajong-uitkering aangevraagd, die door het UWV is geweigerd omdat hij naar oordeel van het UWV en de verzekeringsartsen arbeidsvermogen bezit en dit niet duurzaam binnen vijf jaar na zijn achttiende verjaardag is verloren gegaan.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft het bezwaar van appellant tegen deze weigering ongegrond verklaard en de weigering in stand gelaten. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig was en dat er geen nieuwe medische feiten of omstandigheden waren die een herziening van het besluit rechtvaardigden.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was, met name vanwege zijn PTSS-klachten en het alcoholgebruik, en dat er sprake was van nieuwe feiten en omstandigheden die niet waren meegewogen. De Centrale Raad van Beroep heeft deze bezwaren onderzocht en geoordeeld dat het UWV en de verzekeringsartsen de psychische klachten en PTSS hebben betrokken bij hun beoordeling, en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk was.
De Raad concludeerde dat er geen aanwijzingen zijn dat appellant op zijn achttiende verjaardag reeds PTSS had en dat de beperkingen die in 2016 zijn vastgesteld, inclusief longproblemen en psychische klachten, geen aanleiding geven tot een andere conclusie dan dat appellant arbeidsvermogen heeft. Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de weigering van de Wajong-uitkering blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn arbeidsvermogen binnen vijf jaar na zijn achttiende verjaardag duurzaam is komen te ontbreken.