ECLI:NL:CRVB:2025:1529
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toerekening Ziektewet-uitkering aan eigenrisicodrager bij doorlopende arbeidsongeschiktheid
In deze zaak staat centraal of de Ziektewet-uitkering die het UWV aan een ex-werknemer heeft toegekend, moet worden betaald door appellante als eigenrisicodrager (ERD). De werknemer was sinds 29 april 2022 doorlopend arbeidsongeschikt en was op dat moment nog in dienst bij appellante. Op 1 juni 2022 trad hij in dienst bij een andere werkgever, maar deze dienstbetrekking werd binnen de proeftijd beëindigd.
De rechtbank had geoordeeld dat appellante als ERD verantwoordelijk blijft voor de betaling van de ZW-uitkering, omdat de arbeidsongeschiktheid was ingetreden vóór de nieuwe dienstbetrekking. Appellante voerde hoger beroep aan met het standpunt dat door het aangaan van de nieuwe dienstbetrekking een nieuwe verzekering is ontstaan, waardoor de verantwoordelijkheid voor de uitkering zou zijn overgegaan.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en benadrukt dat de laatst verrichte arbeid vóór de ziekmelding bepalend is voor de toerekening van de ZW-uitkering. Omdat de werknemer de werkzaamheden bij de nieuwe werkgever niet heeft verricht wegens bestaande arbeidsongeschiktheid, blijft appellante verantwoordelijk. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante als eigenrisicodrager verantwoordelijk blijft voor de betaling van de ZW-uitkering aan de doorlopend arbeidsongeschikte ex-werknemer.