Appellante, geboren in 2005, vroeg op haar achttiende verjaardag een Wajong-uitkering aan wegens duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen door complexe mentale problematiek, waaronder borderline, ASS en depressie. Het UWV weigerde de uitkering, stellende dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam was, wat door de rechtbank werd bevestigd.
In hoger beroep stelde appellante dat haar langdurige behandelingen sinds haar achtste jaar onvoldoende effect hadden en dat haar situatie niet zou verbeteren. De Raad beoordeelde dat het UWV onvoldoende had onderbouwd dat er perspectief was op verbetering van haar arbeidsvermogen. De Raad nam het standpunt in dat het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en droeg het UWV op een nieuw besluit te nemen waarbij appellante als jonggehandicapte wordt aangemerkt. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van griffierechten.