De zaak betreft een hoger beroep tegen het besluit van het zorgkantoor om het persoonsgebonden budget (pgb) van een budgethouder in te trekken en een bedrag terug te vorderen wegens vermoedelijke fraude. Betrokkene 1 en betrokkene 2 maakten bezwaar tegen dit besluit, terwijl de budgethouder zelf geen beroep instelde.
De rechtbank had betrokkene 1 en 2 als belanghebbenden erkend en het bestreden besluit vernietigd. Het zorgkantoor stelde echter dat deze betrokkenen geen belanghebbenden zijn. De Centrale Raad oordeelt dat de budgethouder niet als partij wordt toegelaten omdat hij geen beroep instelde en het hoger beroep daardoor niet in een nadeliger positie kan komen. Ook betrokkene 1 en 2 worden geen belanghebbenden geacht, waardoor hun bezwaren niet-ontvankelijk zijn.
De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit voor zover het de bezwaren van betrokkene 1 en 2 betreft. Het beroep van betrokkene 1 tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar wordt eveneens niet-ontvankelijk verklaard. Het zorgkantoor wordt veroordeeld in de proceskosten van betrokkene 2. De uitspraak vervangt het vernietigde gedeelte van het besluit van 1 juli 2021.