ECLI:NL:CRVB:2024:2416
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking persoonsgebonden budget wegens niet geleverde zorg en onvoldoende kwaliteit
Appellant, geïndiceerd voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), kreeg een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor 2021 en 2022. Na meldingen over de zorgverlening en declaraties van de zorgverlener startte het zorgkantoor een onderzoek. Hieruit bleek dat gedeclareerde zorg niet daadwerkelijk was geleverd en dat de kwaliteit onvoldoende was.
Het zorgkantoor trok daarop de pgb-verleningsbesluiten in en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug. De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond en vernietigde de terugvordering, waarna het zorgkantoor deze herzag. Appellant stelde dat de controle vooraf ontoereikend was en dat hij te goeder trouw was.
De Raad oordeelt dat het zorgkantoor bevoegd was tot intrekking en dat de ontoereikende controle vooraf niet tot andere uitkomst leidt omdat er geen eenvoudig te doorgronden onjuiste voorstelling van zaken was. De mate van verwijtbaarheid speelt geen rol bij intrekking. Ook de belangenafweging was niet onevenredig. Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking blijft in stand.
Uitkomst: De intrekking van het persoonsgebonden budget wordt bevestigd en het hoger beroep wordt verworpen.