ECLI:NL:CRVB:2025:1602
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen Wet WIA
In deze zaak staat centraal of het UWV terecht heeft besloten de loonsanctie die aan appellante was opgelegd niet te bekorten. Werkneemster was ziekgemeld en had een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV stelde vast dat appellante niet aan haar re-integratieverplichtingen had voldaan door het niet tijdig aanleveren van gevraagde documenten, waarop een administratieve loonsanctie werd opgelegd.
Appellante leverde de ontbrekende stukken pas na de gestelde termijn aan en verzocht later om bekorting van de loonsanctie. Het UWV wees dit verzoek af omdat de re-integratie-inspanningen onvoldoende waren en er geen deugdelijke grond was voor het verzuim. De rechtbank bevestigde dit oordeel en wees het bezwaar van appellante af.
In hoger beroep handhaafde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelde vast dat appellante pas na het bekortingsverzoek van 3 februari 2022 en na afwijzing door het UWV pogingen tot herstel heeft ondernomen. Latere acties, zoals een geactualiseerde Functionele Mogelijkhedenlijst en een arbeidskundig onderzoek, konden het besluit niet beïnvloeden. Het tweede bekortingsverzoek van juni 2022 werd niet in de procedure betrokken. Het hoger beroep werd verworpen en de loonsanctie bleef onverkort van kracht.
Uitkomst: De loonsanctie wordt terecht niet bekort wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door appellante.