Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
Bijlage
[…].
[…].
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving sinds 2010 een WIA-uitkering en kreeg inkomsten uit een persoonsgebonden budget (pgb) voor de zorg aan zijn echtgenote. Het UWV stelde vast dat appellant over de periode 2015-2019 te veel uitkering had ontvangen vanwege deze pgb-inkomsten die niet waren doorgegeven. De WIA-uitkering werd per 25 december 2019 beëindigd omdat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen verdiende.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht de pgb-inkomsten als inkomen had aangemerkt en de uitkering had beëindigd. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij niet wist dat de pgb-inkomsten invloed hadden op zijn uitkering en dat het UWV op de hoogte was van zijn situatie, maar dit werd verworpen.
De Raad oordeelt dat appellant redelijkerwijs had moeten begrijpen dat de pgb-inkomsten van invloed konden zijn op zijn uitkering. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk voor de terugvordering en wordt voor het overige afgewezen. Daarnaast is de Staat veroordeeld tot een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 2.000,- en tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Hoger beroep niet-ontvankelijk voor terugvordering; vaststelling en beëindiging WIA-uitkering bevestigd; schadevergoeding toegekend wegens overschrijding redelijke termijn.