ECLI:NL:CRVB:2025:1632
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij WIA-uitkering
Appellant ontving een WIA-uitkering en maakte bezwaar tegen een besluit van het Uwv over de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheid en uitkeringshoogte. De Raad voor de Rechtspraak heeft in eerdere zaken de vaststelling en beëindiging van de WIA-uitkering bevestigd. Appellant stelde dat het onderzoek niet zorgvuldig was en dat zijn beperkingen onvoldoende waren meegewogen.
De Raad oordeelde dat appellant geen procesbelang had omdat hij met het hoger beroep geen hogere uitkering kon bereiken en zelf aangaf niet in aanmerking te komen voor een IVA-uitkering. Ook het verzoek om vergoeding van proceskosten werd afgewezen omdat daarvoor geen procesbelang bestaat.
De procedure duurde bijna zes jaar, wat een overschrijding van de redelijke termijn betekende. De Raad veroordeelde Uwv en de Staat tot een vergoeding van in totaal € 2.000,- immateriële schade, verdeeld naar rato van de duur van de overschrijding. Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard, en appellant kreeg geen inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaar.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang en er is een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.