ECLI:NL:CRVB:2025:1641
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij terugvordering WW-uitkering
Appellant ontvangt sinds oktober 2020 een WW-uitkering van het UWV. Omdat hij naast deze uitkering inkomsten uit arbeid had, ontstonden terugvorderingen. Het UWV stelde in februari 2023 vast dat appellant een bedrag van € 2.451,06 moest terugbetalen, maar dat hij toen niet hoefde te betalen vanwege gebrek aan aflossingscapaciteit.
In oktober 2023 stuurde het UWV een brief waarin werd medegedeeld dat appellant het bedrag uiterlijk eind oktober moest terugbetalen. Appellant maakte bezwaar tegen deze brief, maar het UWV verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit zou zijn. De rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond.
Appellant stelde in hoger beroep dat zijn financiële situatie moeilijk is en dat hij het bedrag kan terugbetalen zodra hij werk heeft. Het UWV erkende dat de brief van oktober 2023 wel een besluit is, maar gaf aan dat appellant het bedrag voorlopig niet hoeft te betalen. De Raad oordeelde dat appellant hierdoor geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.
De Raad verklaarde het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en het griffierecht werd kwijtgescholden vanwege betalingsonmacht van appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.