In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 4 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van ‘s-Hertogenbosch. Het betreft de intrekking van bijstand van appellant wegens schending van de inlichtingenverplichting. De Raad had eerder in een uitspraak van 14 april 2020 het college opgedragen om een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellant tegen een eerder besluit. Na nader onderzoek heeft het college op 29 oktober 2020 de intrekking van de bijstand gehandhaafd, omdat appellant niet had voldaan aan zijn inlichtingenverplichting en niet had aangetoond dat hij niet over middelen beschikte. Appellant heeft betoogd dat hij niet kon beschikken over de bankrekeningen van de stichting waar hij bestuurder van was, maar de Raad oordeelde dat er sprake was van een schijnconstructie. De Raad concludeerde dat appellant in de te beoordelen periode over aanzienlijke middelen beschikte, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De Raad verklaarde het beroep van appellant ongegrond en handhaafde de intrekking van de bijstand.