Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontvangt sinds 2012 bijstand en staat sinds 2014 ingeschreven op een uitkeringsadres waar hij een woning huurt. Het college ontving een anonieme tip dat appellant niet op dat adres woont, waarna een onderzoek volgde met onder meer waarnemingen, buurtonderzoek, huisbezoek en getuigenverklaringen.
Op grond van het onderzoek trok het college de bijstand in voor de periode van 1 augustus 2019 tot 19 januari 2022 en vorderde de kosten terug. Appellant voerde aan dat het bewijs onvoldoende was, maar de Raad oordeelde dat de verklaringen van buurtbewoners, de waarnemingen en het lage energieverbruik een toereikende feitelijke grondslag vormden om te concluderen dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.
De Raad achtte het niet aannemelijk dat appellant dagelijks op het adres verbleef en zijn afval bewust elders weggooide. De situatie bij het huisbezoek strookte met het beeld uit het buurtonderzoek en de waarnemingen. Omdat appellant zijn inlichtingenverplichting schond, was het college verplicht de bijstand in te trekken en de kosten terug te vorderen.
Het hoger beroep faalde en de intrekking en terugvordering bleven in stand. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding of griffierecht terug.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens ontbreken hoofdverblijf op het uitkeringsadres worden bevestigd.