Appellant, geboren in 1949, ondervindt beperkingen bij huishoudelijke taken en ontving een maatwerkvoorziening voor ondersteuning bij het huishouden tot 22 mei 2020. Het college verleende een nieuwe voorziening voor de periode 23 mei 2020 tot 21 mei 2024, inclusief wasverzorging. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellant ging in hoger beroep.
De Raad oordeelt dat het beleid van het college over wasverzorging niet zorgvuldig is voorbereid, conform eerdere uitspraak van 3 oktober 2024. Daarom wordt het besluit over wasverzorging vernietigd en moet het college een nieuwe beslissing op bezwaar nemen. Daarnaast is de redelijke termijn van de procedure overschreden met acht maanden, waarvoor de Staat een schadevergoeding van €1.000,- moet betalen.
Verder worden proceskosten en griffierechten aan appellant vergoed. Andere aangevoerde bezwaren, zoals de zwarte lijst van de Fraude Signalering Voorziening en tekortkomingen in zorglevering, worden niet gehonoreerd. De Raad bepaalt dat tegen de nieuwe beslissing alleen beroep bij de Raad kan worden ingesteld.