ECLI:NL:CRVB:2025:1720
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en wijziging persoonsgebonden budget wegens niet geleverde zorg
Appellante, met een verstandelijke handicap en epilepsie, ontving sinds 2016 een persoonsgebonden budget (pgb) voor zorg. Het zorgkantoor ontving in 2022 een melding dat de zorgverlener geen zorg verleende omdat zij werkzaam was bij een bakkerij. Een onderzoek volgde, waarbij verklaringen en zorgdocumenten niet overeenkwamen met de werkelijkheid.
Het zorgkantoor trok het pgb per 1 april 2023 in, stelde het pgb over 2022 lager vast en wijzigde de vaststelling over 2020 en 2021. Tevens vorderde het zorgkantoor een bedrag van € 261.599,97 terug. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat het zorgkantoor bevoegd was het pgb in te trekken en terug te vorderen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De verklaringen van de zorgverlener werden als betrouwbaar beschouwd ondanks de stelling dat zij aan vroege dementie leed. Er was onvoldoende bewijs dat de zorg daadwerkelijk en kwalitatief verantwoord was geleverd. Het zorgkantoor had een zorgvuldige belangenafweging gemaakt en de intrekking en terugvordering waren gerechtvaardigd.
Het hoger beroep van appellante slaagt niet, waardoor het bestreden besluit in stand blijft en appellante geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en wijziging van het pgb en de terugvordering wegens niet geleverde zorg.