ECLI:NL:CRVB:2025:1822
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag langdurige zorg wegens onvoldoende objectiveerbare verstandelijke handicap
Appellant, geboren in 1980 en bekend met psychomotore retardatie eci, vroeg op 20 september 2023 zorg aan op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ wees deze aanvraag op 8 december 2023 af wegens gebrek aan voldoende objectiveerbare informatie om de grondslag verstandelijke handicap vast te stellen. Ook het bezwaar werd op 25 maart 2024 afgewezen.
De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat de diagnose psychomotore retardatie eci in combinatie met kwetsbaarheid voldoende is voor de grondslag verstandelijke handicap en dat het CIZ bij twijfel nader onderzoek moet verrichten. Tevens stelde hij dat hij onvoldoende mogelijkheden heeft om zelf deskundigen in te schakelen, waardoor sprake is van wapenongelijkheid.
De Raad oordeelt dat het CIZ zich terecht baseert op het medisch advies van 5 december 2023, waarin wordt toegelicht dat de diagnose onvoldoende is en dat objectieve gegevens zoals intelligentieonderzoek ontbreken. Appellant heeft geen nieuwe medische stukken overgelegd die het advies ondermijnen. Het CIZ is niet verplicht tot nader onderzoek; het is aan appellant zelf om zijn aanvraag te onderbouwen. De Raad ziet geen reden een onafhankelijke deskundige te benoemen.
Het hoger beroep wordt afgewezen en het bestreden besluit blijft in stand. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De afwijzing van de Wlz-aanvraag wordt bevestigd wegens onvoldoende objectiveerbare informatie voor vaststelling verstandelijke handicap.