Appellante was sinds 1 januari 2018 arbeidsongeschikt en ontving aanvankelijk geen WGA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en veroordeelde het UWV tot een schadevergoeding van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Na een deskundigenrapport en gewijzigde besluiten kende het UWV uiteindelijk een IVA-uitkering toe met een dagloon van €65,25 bruto. Appellante betwistte de hoogte van het dagloon en stelde dat het UWV onjuist had gerekend door het loon te delen door 261 dagen in plaats van alleen de dagen waarop loon werd ontvangen.
De Raad oordeelde dat het UWV de dagloonberekening correct had uitgevoerd volgens het Dagloonbesluit en dat het beroep op het evenredigheidsbeginsel niet slaagt. De referteperiode en berekeningswijze zijn wettelijk vastgelegd en leiden niet tot een onredelijk bezwarend besluit.
Verder werd vastgesteld dat de totale procedure meer dan vijf jaar duurde, wat de redelijke termijn overschrijdt. Gezien eerdere toekenning van €500, kent de Raad een aanvullende schadevergoeding van €1.500 toe, te betalen door de Staat.
De Raad vernietigt de eerdere besluiten van 3 februari 2021 en 26 juli 2024, handhaaft het besluit van 4 februari 2025 en veroordeelt het UWV en de Staat tot proceskostenvergoeding en vergoeding van griffierechten.