Appellant heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor bewindvoeringskosten vanaf 1 juli 2020, maar het college kende deze alleen toe vanaf 1 september 2020 omdat de kosten voor juli en augustus 2020 reeds waren betaald. De rechtbank vernietigde het besluit deels en kende proceskostenvergoeding toe, maar liet een vergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn achterwege.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de kosten voor juli en augustus 2020 inderdaad ten tijde van de aanvraag waren voldaan, zoals blijkt uit bankafschriften en facturen, en wijst het beroep op dat punt af. Wel wordt het hoger beroep gegrond verklaard voor het toekennen van een proceskostenvergoeding aan appellant wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad bevestigt dat appellant recht heeft op een aanvullende immateriële schadevergoeding van €500,- bovenop de reeds toegekende €1.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn. Tevens wordt de Staat veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht in hoger beroep. Het bestreden besluit wordt verder bevestigd.