In deze zaak gaat het om een hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, waarin de rechtbank het bestreden besluit van het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn heeft vernietigd voor wat betreft de proceskostenvergoeding. Appellant had een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor de kosten van bewindvoering voor de periode van 1 juli 2020 tot en met 30 juni 2021. Het college had echter alleen bijzondere bijstand toegekend vanaf 1 september 2020, omdat het college van mening was dat in de kosten voor de maanden juli en augustus 2020 al was voorzien. De Raad voor de Rechtspraak oordeelt dat het hoger beroep van appellant op dit punt niet slaagt, omdat aannemelijk is dat de kosten ten tijde van de aanvraag al waren betaald. Echter, de Raad oordeelt dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad kent appellant een aanvullende schadevergoeding toe en veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling van de proceskosten in hoger beroep. De uitspraak is gedaan op 16 december 2025.