ECLI:NL:CRVB:2025:1893

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
23/2369 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten en proceskostenvergoeding

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, waarin de rechtbank het bestreden besluit van het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn heeft vernietigd voor wat betreft de proceskostenvergoeding. Appellant had een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor de kosten van bewindvoering voor de periode van 1 juli 2020 tot en met 30 juni 2021. Het college had echter alleen bijzondere bijstand toegekend vanaf 1 september 2020, omdat het college van mening was dat in de kosten voor de maanden juli en augustus 2020 al was voorzien. De Raad voor de Rechtspraak oordeelt dat het hoger beroep van appellant op dit punt niet slaagt, omdat aannemelijk is dat de kosten ten tijde van de aanvraag al waren betaald. Echter, de Raad oordeelt dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad kent appellant een aanvullende schadevergoeding toe en veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling van de proceskosten in hoger beroep. De uitspraak is gedaan op 16 december 2025.

Uitspraak

23/2369 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 juli 2023, 21/1058 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn (college)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 16 december 2025

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering. Appellant heeft de aanvraag op 21 augustus 2020 gedaan voor de periode van 1 juli 2020 tot en met 30 juni 2021. Het college heeft alleen bijzondere bijstand toegekend vanaf 1 september 2020 op de grond dat in de kosten van bewindvoering over de maanden juli en augustus 2020 al is voorzien. Appellant is het daar niet mee eens. De Raad is van oordeel dat aannemelijk is dat de kosten van bewindvoering over deze maanden ten tijde van de aanvraag al waren betaald. Het hoger beroep slaagt op dat punt dus niet. Het hoger beroep slaagt wel voor zover dat ziet op de proceskostenvergoeding in verband met het verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft deze vergoeding ten onrechte niet uitgesproken. Appellant ontvangt een aanvullende schadevergoeding voor.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [gemachtigde] , hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Staat voert overeenkomstig zijn beleid geen verweer. [1]
De Raad heeft op 16 april 2024 een regiebrief verzonden aan appellant en het college. In deze brief heeft de Raad geschetst wat de Raad in de gedingstukken leest en meerdere vervolgstappen in overweging gegeven. Na een reactie hierop van het college heeft de Raad besloten in het geding tussen appellant en het college een comparitie van partijen te gelasten.
De Raad heeft die comparitie van partijen gehouden via een beeldverbinding op een enkelvoudige zitting van 20 augustus 2024. Voor appellant is verschenen [gemachtigde] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. de Jong.
Appellant heeft een aanvullend verzoek ingediend om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. In verband met dit verzoek heeft de Raad de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) als partij aangemerkt.
De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een zitting achterwege blijft.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant is bij beschikking van 2 juli 2019 onder bewind gesteld. [gemachtigde] is benoemd tot zijn bewindvoerder. Van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2020 hebben appellant en zijn partner bijzondere bijstand ontvangen voor de kosten van bewindvoering.
1.2.
Appellant heeft op 21 augustus 2020 een aanvraag om bijzondere bijstand gedaan voor de kosten van bewindvoering vanaf 1 juli 2020.
1.3.
Met een besluit van 7 oktober 2020 heeft het college aan appellant bijzondere bijstand toegekend van € 89,60 per maand vanaf 1 september 2020 tot en met 31 augustus 2021.
1.4.
Met een besluit van 5 januari 2021 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar hiertegen gegrond verklaard en het bedrag van bijzondere bijstand aangepast naar een bedrag van € 180,49 per maand onder aanpassing van de motivering. De aanvraag over de periode 1 juli 2020 tot en met 31 augustus 2020 heeft het college op grond van artikel 35 van de Participatiewet (PW) afgewezen, omdat deze kosten reeds betaald zijn vóór de datum van de aanvraag. Geen plaats is voor bijstandsverlening voor kosten waarin ten tijde van de aanvraag reeds is voorzien. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt aangepast, omdat in het besluit van 7 oktober 2020 ten onrechte geen rekening was gehouden met het feit dat appellant en zijn partner zijn toegelaten in fase 2 van het schuldhulpverleningstraject, zodat zij ten tijde van de aanvraag niet langer beschikten over enige draagkracht. De in bezwaar gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat het tot de taken van de bewindvoerder hoort om voor financiële belangen van appellant op te komen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, voor zover dit het achterwege blijven van een vergoeding van de kosten van de behandeling van het bezwaar betreft. Naar het oordeel van de rechtbank worden de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand aangemerkt als redelijkerwijs te zijn gemaakt. Die kosten komen dus voor vergoeding in aanmerking. De specifieke kennis, ervaring of de taak van de bewindvoerder biedt geen grond om van dit uitgangspunt af te wijken. Op het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de rechtbank de Staat als partij aangemerkt en dit verzoek toegewezen en de Staat veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.000,-. Het college is veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 3.103,- aan proceskosten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in de hoofdzaak in stand gelaten heeft en enkel heeft vernietigd voor zover dit het achterwege blijven van een vergoeding van de kosten van de behandeling van het bezwaar betreft. Hij maakt deze beoordeling aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. Verder beoordeelt de Raad of de rechtbank terecht geen proceskostenveroordeling tegen de Staat heeft uitgesproken in verband met de toewijzing van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn (ORT). De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep (deels) slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Ingangsdatum bijzondere bijstand
4.1.
In beginsel is geen plaats voor verlening van bijzondere bijstand voor kosten waarin op het moment van de aanvraag al is voorzien. Dit volgt uit artikel 35, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 11, eerste lid, van de PW.
4.2.
Appellant heeft aangevoerd dat hij recht heeft op bijzondere bijstand met ingang van de maand juli 2020. De stelling van het college dat ten tijde van de aanvraag reeds in de kosten is voorzien is niet onderbouwd. De kosten van bewindvoering werden volgens appellant achteraf betaald.
4.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Aannemelijk is dat de betalingen voor bewindvoering die zijn gedaan op 2 juli 2020 en 2 augustus 2020 betrekking had op de maanden juli respectievelijk augustus 2020 en dat dus reeds in de kosten was voorzien ten tijde van de aanvraag, die plaatsvond op 21 augustus 2020. Daarbij is het volgende van belang.
4.4.
Vastgesteld kan worden dat op de factuur van 1 juli 2020, die als gedingstuk in deze procedure is overgelegd, vermeld staat dat de bewindvoerder aan appellant heeft verzocht om de kosten van bewindvoering aan het begin van elke maand over te maken. Dat dit ook zo lijkt te zijn gebeurd, volgt uit de bankafschriften die over de maanden juli en augustus 2020 zijn overgelegd, waaruit blijkt dat op 2 juli 2020 en 2 augustus 2020 een bedrag van € 180,49 is afgeschreven. De eerst ter comparitie ingenomen stelling van appellant dat achteraf werd betaald en dat uit bankafschriften over de maanden januari en februari 2020 zou blijken dat de eerste afschrijving van 2020 pas begin februari 2020 is gedaan, is niet te controleren, omdat deze bankafschriften niet zijn overgelegd. Daarbij komt dat appellant zelf eerder in deze procedure, tijdens de bezwaarfase, heeft aangevoerd dat hij te laat was met het indienen van de aanvraag vanwege vakantie. Appellant heeft hierover dus wisselend verklaard.
In bezwaar gemaakte kosten
4.5.
Tussen appellant en het college is niet langer in geschil dat de rechtbank had moeten uitgaan van € 597,- per punt voor de in bezwaar gemaakte kosten, zodat een proceskostenveroordeling van totaal € 3.705,- had moeten worden uitgesproken. Het college heeft dit naar aanleiding van de regiebrief die de Raad heeft verzonden erkend en heeft dit gecorrigeerd door nabetaling van een bedrag van € 602,-. Ter comparitie is besproken dat deze grond geen bespreking meer behoeft.
Proceskosten in verband met overschrijding redelijke termijn
4.6.
De rechtbank heeft ten onrechte geen uitspraak gedaan over een proceskostenvergoeding in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. In gevallen als deze, waarin een proceskostenveroordeling wordt uitgesproken tegen het bestuursorgaan in de hoofdzaak en waarbij de overschrijding van de redelijke termijn aan de rechter is toe te rekenen én een afzonderlijk verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is gedaan en wordt toegewezen, komen de proceskosten die zien op dit verzoek voor rekening van de Staat. Deze kosten worden begroot op € 453,50 (1 punt met wegingsfactor 0,5).
Aanvullend verzoek om schadevergoeding om schadevergoeding wegens ORT
4.7.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. [2]
4.8.
Op de datum van deze uitspraak was te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift op 7 oktober 2020 de redelijke termijn met meer dan een jaar en minder dan anderhalf jaar overschreden. Deze overschrijding heeft in zijn geheel plaatsgevonden in de rechterlijke fase. Naar vaste rechtspraak heeft appellant in dat geval in beginsel recht op een immateriële schadevergoeding van in totaal € 1.500,- ten laste van de Staat.
4.9.
In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank aan appellant al € 1.000,- aan immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend. Appellant heeft daarom recht op een aanvullende schadevergoeding van € 500,-.

Conclusie en gevolgen

4.10.
Het hoger beroep slaagt voor zover de Staat verweerder is. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd, voor zover de rechtbank geen proceskostenvergoeding heeft toegekend in verband met het verzoek tot de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad zal een proceskostenvergoeding voor dit verzoek ten laste van de Staat toekennen.
5. Onder deze omstandigheden, waarbij het hoger beroep (deels) slaagt en de Staat voor dat deel als partij is betrokken en nog een proceskostenvergoeding verschuldigd is, bestaat aanleiding om de Staat te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep.
5.1.
Aanleiding bestaat om de Staat als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de proceskosten. De kosten worden in hoger beroep begroot op totaal € 680,25 (1 punt voor het hoger beroepschrift en 0,5 punt voor het bijwonen van de comparitie, met wegingsfactor 0,5). Opgeteld bij het onder 4.6 genoemde bedrag is dit dus € 1.133,75. Daarnaast dient de Staat het door appellant betaalde griffierecht te vergoeden.
5.2.
Het verzoek om aanvullende schadevergoeding wordt toegewezen tot een bedrag van € 500,-. Voor een verdere proceskostenveroordeling bestaat gelet op 5.1 geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank de Staat niet heeft veroordeeld in de proceskosten van appellant in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant in verband met het verzoek van appellant tot een bedrag van € 1.133,75;
  • bepaalt dat de Staat het griffierecht in hoger beroep van € 136,- aan appellant moet vergoeden;
  • bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding toe tot een bedrag van € 500,-, te betalen door de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid).
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. Wolfrat en E.C.E. Marechal als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2025.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 11, eerste lid, van de PW
Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
Artikel 35, eerste lid, van de PW
Onverminderd paragraaf 2.2., heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezien niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomstentoeslag, bedoeld in artikel 36b, het vermogen en het inkomen voor zover dit mee bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

Voetnoten

1.Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, nr. 20210.
2.Zie de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.