Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en het college trok deze bijstand in en vorderde terug wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met X op twee adressen. De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond en deels ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij geen gezamenlijke huishouding voerde omdat er geen hoofdverblijf en wederzijdse zorg was.
De Raad onderscheidde twee perioden: periode 1 (30 december 2017 tot 27 februari 2020) en periode 2 (27 februari 2020 tot 23 juli 2021). Voor periode 1 was het hoofdverblijf op hetzelfde adres niet in geschil. Voor periode 2 oordeelde de Raad dat het college onvoldoende feitelijke grondslag had om het gezamenlijke hoofdverblijf aan te tonen voor de periode tot mei 2021, maar vanaf mei 2021 was het hoofdverblijf van X op het uitkeringsadres aannemelijk.
De Raad stelde dat het college niet aannemelijk had gemaakt dat appellant zorg van enige omvang en gewicht aan X verleende, waardoor het criterium van wederzijdse zorg niet was vervuld. Hierdoor was geen sprake van een gezamenlijke huishouding en was de intrekking en terugvordering van de bijstand onterecht. De Raad vernietigde de bestreden besluiten en herroept de intrekkingsbesluiten, en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.