In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 18 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland. De zaak betreft de beëindiging van een persoonsgebonden budget (pgb) voor appellant, die niet heeft voldaan aan de aan het pgb verbonden verplichtingen. Appellant had een indicatie voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) en ontving een pgb van het zorgkantoor Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. Het zorgkantoor heeft vastgesteld dat appellant een vakantie niet heeft gemeld, waardoor zorg is betaald die niet is verleend. Daarnaast was de gewaarborgde hulp, die door het zorgkantoor was goedgekeurd, niet in staat om de aan het pgb verbonden verplichtingen verantwoord uit te voeren. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van het zorgkantoor ongegrond verklaard, en de Centrale Raad van Beroep heeft deze uitspraak bevestigd. De Raad oordeelde dat het zorgkantoor bevoegd was om het pgb te beëindigen, omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor verlening van het pgb. De Raad heeft ook overwogen dat de intrekking van het pgb geen financiële consequenties voor appellant met zich meebracht, en dat de nadelige gevolgen van de beëindiging niet onevenredig waren in verhouding tot de doelen van het besluit. Appellant heeft geen recht op vergoeding van proceskosten, omdat het hoger beroep niet slaagde.