ECLI:NL:CRVB:2025:1903

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
24/1835 WLZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging van het persoonsgebonden budget (pgb) door zorgkantoor wegens niet-naleving van verplichtingen

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 18 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland. De zaak betreft de beëindiging van een persoonsgebonden budget (pgb) voor appellant, die niet heeft voldaan aan de aan het pgb verbonden verplichtingen. Appellant had een indicatie voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) en ontving een pgb van het zorgkantoor Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. Het zorgkantoor heeft vastgesteld dat appellant een vakantie niet heeft gemeld, waardoor zorg is betaald die niet is verleend. Daarnaast was de gewaarborgde hulp, die door het zorgkantoor was goedgekeurd, niet in staat om de aan het pgb verbonden verplichtingen verantwoord uit te voeren. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van het zorgkantoor ongegrond verklaard, en de Centrale Raad van Beroep heeft deze uitspraak bevestigd. De Raad oordeelde dat het zorgkantoor bevoegd was om het pgb te beëindigen, omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor verlening van het pgb. De Raad heeft ook overwogen dat de intrekking van het pgb geen financiële consequenties voor appellant met zich meebracht, en dat de nadelige gevolgen van de beëindiging niet onevenredig waren in verhouding tot de doelen van het besluit. Appellant heeft geen recht op vergoeding van proceskosten, omdat het hoger beroep niet slaagde.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 4 juli 2024, 23/6572 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor)
Datum uitspraak: 18 december 2025

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de vraag of het zorgkantoor tot beëindiging van het Wlz-pgb mocht overgaan. Net als de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag bevestigend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft zijn zus, toen ook bewindvoerder, [naam 1] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 6 november 2025. Voor appellant zijn mr. R. Kaya, advocaat, en [naam 2] verschenen. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Gezer.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft een indicatie voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet langdurige zorg (Wlz). Het zorgkantoor heeft aan appellant voor het realiseren van deze zorg een persoonsgebonden budget (pgb) verleend.
1.2.
Op 14 juni 2022 heeft het zorgkantoor een huisbezoek verricht. Vervolgens heeft het zorgkantoor in een brief van 5 juli 2022 gemeld dat appellant een gewaarborgde hulp moet hebben en dat de pgb-administratie gecompleteerd moet worden. Daarnaast heeft het zorgkantoor suggesties gedaan voor het verbeteren van de zorg en informatie opgevraagd. Het zorgkantoor heeft vermeld dat appellant opnieuw zal worden uitgenodigd voor een huisbezoek.
1.3.
Het zorgkantoor heeft de zus van appellant op 22 augustus 2022 goedgekeurd als gewaarborgde hulp.
1.4.
Het zorgkantoor heeft bij besluit van 3 december 2022 aan appellant een pgb verleend voor het jaar 2023 van € 72.359,- (verleningsbesluit).
1.5.
Na herhaalde verzoeken van het zorgkantoor heeft op 21 juni 2023 opnieuw een huisbezoek plaatsgevonden.
1.6.
Het zorgkantoor heeft het verleningsbesluit met een besluit van 11 juli 2023 ingetrokken met ingang van 21 juni 2023 en met een besluit van 12 juli 2023 aan appellant voor de periode van 1 januari 2023 tot en met 21 juni 2023 een pgb verleend van € 34.097,94. Het zorgkantoor heeft deze besluiten na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 16 november 2023 (bestreden besluit). Aan de wijziging van het verleningsbesluit heeft het zorgkantoor ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft voldaan aan de aan het pgb verbonden verplichtingen. Appellant heeft onder meer een vakantie niet gemeld, waardoor zorg uit pgb is betaald die niet is verleend. Verder is de gewaarborgde hulp volgens het zorgkantoor niet in staat de aan het pgb verbonden verplichtingen verantwoord uit te voeren, waardoor niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor verlening van een pgb. De gewaarborgde hulp heeft aanzienlijk meer zorg ingekocht dan vanuit het pgb vergoed kan worden, waardoor er voor het jaar 2022 nog altijd zeer grote bedragen openstaan. Dit brengt een onacceptabel financieel risico mee voor de budgethouder. Daarnaast heeft zij onvoldoende inzicht geboden in de besteding van het pgb. Ook heeft zij bij de uitvoering van haar taken hulp gehad van haar moeder, terwijl een gewaarborgde hulp deze taken zelfstandig moet kunnen verrichten. Het zorgkantoor heeft de betrokken belangen afgewogen en heeft hierin geen aanleiding gezien om van de intrekking af te zien.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank – voor zover hier van belang
overwogen dat het zorgkantoor zich op het standpunt mocht stellen dat de gewaarborgde hulp gezien haar gedrag niet meer bekwaam was. Verder is niet in geschil dat een vakantie niet is gemeld, waardoor zorg is betaald die niet is verleend. Het zorgkantoor was daarom bevoegd het pgb met ingang van 21 juni 2023 te beëindigen. Het zorgkantoor heeft van deze bevoegdheid gebruik mogen maken.
Het standpunt van appellant
4. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
De wijziging van het verleningsbesluit
5.1.
Zoals ter zitting is gebleken, is tussen partijen niet (meer) in geschil dat de verplichtingen behorend bij het pgb niet zijn nagekomen, doordat de vakantie van appellant niet is gemeld en daardoor zorg is betaald die niet is verleend. Tussen partijen is evenmin in geschil dat de gewaarborgde hulp veel meer zorg heeft ingekocht dan vanuit het pgb betaald kon worden. Het standpunt van appellant dat dat niet betekend dat de gewaarborgde hulp haar taak niet op verantwoorde wijze heeft uitgevoerd, omdat hij 24-uurs zorg nodig heeft en het pgb daarin niet voorzag, wordt niet gevolgd. Niet alleen blijkt uit vaste rechtspraak dat geen pgb kan worden verleend voor 24 uur per dag zorg in de nabijheid, voor zover daarin niet kan worden voorzien door de in het zorgprofiel begrepen zorgfunctie begeleiding [1] , maar ook houdt een verantwoorde uitvoering van het pgb in dat bij een dreigend budgettekort tijdig wordt opgetreden, bijvoorbeeld door hierover contact op te nemen met het zorgkantoor.
5.2.
Uit 4.1 volgt dat de aan het pgb verbonden verplichtingen, zoals vermeld in artikel 5.18, aanhef en onder a en g, van de Regeling langdurige zorg (Rlz) niet zijn nagekomen. Ook volgt daaruit dat niet langer wordt voldaan aan de in artikel 3.3.3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wlz opgenomen voorwaarde voor verlening van een pgb, dat de verzekerde dan wel zijn vertegenwoordiger de aan een pgb verbonden taken en verplichtingen op verantwoorde wijze kan uitvoeren. Dit betekent dat het zorgkantoor op grond van artikel 5.20, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rlz bevoegd was het verleningsbesluit te wijzigen door over het jaar 2023 nog slechts een pgb te verlenen tot 21 juni 2023.
5.3.
Appellant heeft aangevoerd dat de nadelige gevolgen van het bestreden besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. Volgens hem heeft het beëindigen van het pgb per 21 juni 2023 grote gevolgen voor zijn gezondheid en welzijn, waarbij hij heeft gewezen op zijn intensieve zorgbehoefte en de onmogelijkheid om gebruik te maken van zorg in natura, met name door eerdere nare ervaringen in een instelling. Deze beroepsgrond slaagt niet. Dat zorg in natura voor appellant ongeschikt is, bijvoorbeeld in de vorm van een volledig pakket thuis, is niet onderbouwd. Daarnaast is van belang dat de intrekking geen financiële consequenties heeft voor appellant. Het zorgkantoor mocht dan ook gebruik maken van de bevoegdheid het verleningsbesluit te wijzigen.
Proceskosten in beroep
5.4.
Appellant heeft tot slot gesteld dat de rechtbank het zorgkantoor had moeten veroordelen in de proceskosten, omdat de rechtbank heeft geoordeeld dat het zorgkantoor twee van de vier in het bestreden besluit opgenomen gronden niet aan de wijziging van het verleningsbesluit ten grondslag heeft mogen leggen. Dit betoog slaagt niet. Nu twee van de daaraan ten grondslag gelegde gronden het bestreden besluit wel kunnen dragen, heeft de rechtbank voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding hoeven zien.

Conclusie en gevolgen

5.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en D. Hardonk-Prins en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van C.C.M. van 't Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025.

(getekend) L.M. Tobé

(getekend) C.C.M. van ’t Hol

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Wet langdurige zorg
Artikel 3.3.3
1. Het zorgkantoor verleent op aanvraag van de verzekerde en onverminderd het vierde en vijfde lid alsmede andere bij wettelijk voorschrift gestelde voorwaarden of beperkingen, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels, een persoonsgebonden budget waarmee de verzekerde, in plaats van zorg in natura te ontvangen, zelf betalingen doet voor zorg als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, onderdelen a, onder 2°, b, f of g. De verzekerde ziet af van het recht op verblijf en van de daarmee gepaard gaande voorziening, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, alsmede van de behandeling, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel d.
(…)
4. Het persoonsgebonden budget wordt, onverminderd het vijfde lid en andere bij wettelijk voorschrift gestelde voorwaarden of beperkingen, verleend, indien:
a. naar het oordeel van het zorgkantoor met het persoonsgebonden budget op doelmatige wijze zal worden voorzien in toereikende zorg van goede kwaliteit;
b. de verzekerde naar het oordeel van het zorgkantoor in staat is te achten op eigen kracht of met hulp van een vertegenwoordiger, de aan een budget verbonden taken en verplichtingen op verantwoorde wijze uit te voeren;
c. de verzekerde naar het oordeel van het zorgkantoor in staat is te achten op eigen kracht of met hulp van een vertegenwoordiger, de door hem verkozen zorgaanbieders en mantelzorgers op zodanige wijze aan te sturen en hun werkzaamheden op elkaar af te stemmen, dat sprake is of zal zijn van verantwoorde zorg;
(…)
Regeling langdurige zorg
Artikel 5.17
1. Het persoonsgebonden budget mag uitsluitend worden gebruikt voor het door de Sociale verzekeringsbank, op verzoek van de verzekerde, doen van betalingen:
a. voor zorg als bedoeld in artikel 3.3.3 van de wet, of
(…).
Artikel 5.18
Bij de verlening van het persoonsgebonden budget worden de verzekerde in ieder geval de volgende verplichtingen opgelegd:
a. de verzekerde gebruikt het persoonsgebonden budget uitsluitend voor het doen van betalingen door de Sociale verzekeringsbank als bedoeld in artikel 5.17, eerste lid;
(…)
g. de verzekerde deelt het zorgkantoor op diens verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de verstrekking van het persoonsgebonden budget.
Artikel 5.20
1. (…)
2. Het zorgkantoor kan de verleningsbeschikking intrekken of wijzigen:
(…)
b. met ingang van de dag waarop de verzekerde, of de derde die aan de verzekerde gewaarborgde hulp biedt, de opgelegde verplichtingen niet nakomt of niet langer voldoet aan de voorwaarden of verleningsgrond van het persoonsgebonden budget dan wel verhoging van het budget als bedoeld in artikel 5.1c, vijfde lid, of aan de eisen van gewaarborgde hulp; of
(…)

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld CRvB 3 april 2025, ECLI:NL:CRVB: 2025:621 r.o. 4.3.3.