Appellant, een Duitse student, had in 2021 geen beschikking over zijn recht op een studentenreisproduct vanwege een aanvankelijk afgewezen aanvraag. Na toekenning met terugwerkende kracht voor augustus tot en met december 2021 verzocht hij de minister om schadevergoeding voor de periode dat hij geen gebruik kon maken van het reisrecht. De minister wees dit verzoek af, waarna appellant bezwaar maakte en vervolgens in beroep ging bij de rechtbank, die het verzoek afwees wegens onvoldoende onderbouwing van de schade.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de minister aansprakelijk is voor de onrechtmatige besluitvorming en dat appellant recht heeft op vergoeding van de schade die hij daardoor heeft geleden. De Raad stelt vast dat het praktisch en billijk is om een forfaitaire vergoeding toe te kennen, aansluitend bij de in de wet geregelde vergoeding voor studenten die buiten Nederland studeren.
De forfaitaire vergoeding wordt vastgesteld op €497,90, gebaseerd op vijf maanden à €99,58. Daarnaast veroordeelt de Raad de minister tot betaling van wettelijke rente en proceskosten. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de eerdere uitspraak vernietigd en het verzoek tot schadevergoeding toegewezen.