Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2025:1905

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
25/227 ZW-W
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:119 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om wraking wegens gebrek aan objectieve aanwijzingen voor vooringenomenheid

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de behandelend rechter die ook het eerste herzieningsverzoek had beoordeeld. Verzoeker stelde dat de rechter niet onpartijdig kon zijn vanwege een vermeend grof plichtsverzuim bij de beoordeling van het eerste herzieningsverzoek.

De Raad overwoog dat een rechter geacht wordt onpartijdig te zijn en dat alleen uitzonderlijke omstandigheden kunnen leiden tot wraking. Het enkele feit dat een rechter eerder een onwelgevallige uitspraak deed, is onvoldoende voor wraking.

Verzoekers verwijt betrof het niet betrekken van medische informatie bij het eerste herzieningsverzoek, wat volgens de Raad niet leidt tot een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid. Ook het argument dat de rechter in eigen zaak zou oordelen, werd verworpen.

De Raad concludeerde dat er geen zwaarwegende aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid en wees het wrakingsverzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om wraking van de behandelend rechter is afgewezen wegens het ontbreken van objectief gerechtvaardigde aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

25/227 ZW-W
Datum beslissing: 23 december 2025
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
PROCESVERLOOP
Met een uitspraak van 11 mei 2023 [1] heeft de Raad beslist op het hoger beroep van verzoeker tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 25 april 2022 in een geding tussen verzoeker en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Met een uitspraak van 1 mei 2024 [2] heeft de Raad het door verzoeker ingediende verzoek om herziening van de uitspraak van 11 mei 2023 (eerste herzieningsverzoek) afgewezen.
Vervolgens heeft verzoeker opnieuw een verzoek om herziening (tweede herzieningsverzoek) ingediend.
Bij brief van 11 november 2025 is verzoeker uitgenodigd voor de zitting bij de Raad. Daarbij is aan hem meegedeeld dat M.E. Fortuin de behandelend rechter zal zijn.
Op 13 november 2025 heeft verzoeker een verzoek om wraking ingediend.
De behandelend rechter heeft op het verzoek gereageerd en te kennen gegeven niet in de wraking te berusten.
Bij e-mailbericht van 1 december 2025 heeft verzoeker daarop gereageerd.
Verzoeker en de behandelend rechter zijn uitgenodigd om te worden gehoord ter zitting van de Raad op 16 december 2025. Verzoeker is verschenen. De behandelend rechter heeft laten weten niet te zullen verschijnen.

OVERWEGINGEN

1. Artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Wat verzoeker heeft aangevoerd komt erop neer dat hij meent dat de behandelend rechter, die ook op het eerste herzieningsverzoek heeft beslist, niet objectief en onpartijdig over het tweede herzieningsverzoek kan oordelen, omdat het tweede herzieningsverzoek berust op “grof plichtsverzuim” van de behandelend rechter bij de beoordeling van het eerste herzieningsverzoek. Dit is een verwijt dat volgens verzoeker per definitie de objectiviteit en onpartijdigheid van de rechter in twijfel trekt. Indien de behandelend rechter het tweede herzieningsverzoek wel beoordeelt, zou zij daarmee in strijd handelen met het beginsel dat niemand rechter is in eigen zaak en met het recht op een onpartijdig gerecht.
3.1.
Bij de beoordeling van een wrakingsverzoek moet voorop staan dat een rechter op grond van zijn of haar aanstelling geacht wordt onpartijdig te zijn. Van dit uitgangspunt moet worden afgeweken als er een uitzonderlijke omstandigheid is die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor vooringenomenheid van de rechter. De vrees voor vooringenomenheid van de rechter moet objectief gerechtvaardigd zijn.
3.2. Verder is vaste rechtspraak dat de enkele omstandigheid dat een rechter in een eerdere zaak van verzoeker een hem onwelgevallige uitspraak heeft gedaan niet kan worden gerekend tot feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. [3]
3.3.
Ter zitting heeft verzoeker toegelicht dat het grof plichtsverzuim dat hij de behandelend rechter verwijt, er in zit dat de behandelend rechter de medische informatie, die verzoeker in het hoger beroep had meegezonden en volgens hem ten onrechte niet bij de beoordeling van dat hoger beroep is betrokken, niet alsnog bij de beoordeling van het eerste herzieningsverzoek heeft betrokken. Gelet op wat is overwogen onder 3.2 kan dat niet tot toewijzing van het verzoek om wraking leiden. Dat de behandelend rechter in het kader van het tweede herzieningsverzoek rechter in eigen zaak zou zijn, kan de Raad verder niet volgen. Bij de beoordeling van het tweede herzieningsverzoek gaat het, net als bij de beoordeling van het eerste herzienigsverzoek, om de vraag of verzoeker feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die, bezien binnen het kader van artikel 8:119 van Pro de Awb, kunnen leiden tot herziening van de oorspronkelijke uitspraak. De behandelend rechter is daarbij geen partij en verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat er een zwaarwegende aanwijzing is voor vooringenomenheid van de behandelend rechter.
4. Het voorgaande betekent dat het verzoek om wraking moet worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.
Deze beslissing is gegeven door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en C.W.C.A. Bruggeman als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2025.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) C.M. Snellenberg

Voetnoten

3.Zie bijvoorbeeld de beslissing van 4 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1787.