In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 23 december 2025 een verzoek om wraking afgewezen. Verzoeker had eerder een hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, welke op 25 april 2022 was gedaan. De Raad had op 11 mei 2023 uitspraak gedaan in het hoger beroep en op 1 mei 2024 het eerste herzieningsverzoek van verzoeker afgewezen. Verzoeker diende vervolgens een tweede herzieningsverzoek in en werd uitgenodigd voor een zitting op 16 december 2025, waarbij M.E. Fortuin als behandelend rechter was aangewezen. Op 13 november 2025 diende verzoeker een wrakingsverzoek in, omdat hij meende dat de behandelend rechter niet objectief en onpartijdig kon oordelen over zijn tweede herzieningsverzoek, gezien de eerdere uitspraak over het eerste herzieningsverzoek. De Raad overwoog dat een rechter op grond van zijn aanstelling geacht wordt onpartijdig te zijn, en dat de enkele omstandigheid dat een rechter in een eerdere zaak een onwelgevallige uitspraak heeft gedaan, niet voldoende is voor een wrakingsverzoek. De Raad concludeerde dat verzoeker niet aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van vooringenomenheid van de behandelend rechter, en wees het verzoek om wraking af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.