ECLI:NL:CRVB:2025:1905

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
25/227 ZW-W
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om wraking van de behandelend rechter in een herzieningsprocedure

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 23 december 2025 een verzoek om wraking afgewezen. Verzoeker had eerder een hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, welke op 25 april 2022 was gedaan. De Raad had op 11 mei 2023 uitspraak gedaan in het hoger beroep en op 1 mei 2024 het eerste herzieningsverzoek van verzoeker afgewezen. Verzoeker diende vervolgens een tweede herzieningsverzoek in en werd uitgenodigd voor een zitting op 16 december 2025, waarbij M.E. Fortuin als behandelend rechter was aangewezen. Op 13 november 2025 diende verzoeker een wrakingsverzoek in, omdat hij meende dat de behandelend rechter niet objectief en onpartijdig kon oordelen over zijn tweede herzieningsverzoek, gezien de eerdere uitspraak over het eerste herzieningsverzoek. De Raad overwoog dat een rechter op grond van zijn aanstelling geacht wordt onpartijdig te zijn, en dat de enkele omstandigheid dat een rechter in een eerdere zaak een onwelgevallige uitspraak heeft gedaan, niet voldoende is voor een wrakingsverzoek. De Raad concludeerde dat verzoeker niet aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van vooringenomenheid van de behandelend rechter, en wees het verzoek om wraking af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitspraak

25/227 ZW-W
Datum beslissing: 23 december 2025
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
PROCESVERLOOP
Met een uitspraak van 11 mei 2023 [1] heeft de Raad beslist op het hoger beroep van verzoeker tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 25 april 2022 in een geding tussen verzoeker en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Met een uitspraak van 1 mei 2024 [2] heeft de Raad het door verzoeker ingediende verzoek om herziening van de uitspraak van 11 mei 2023 (eerste herzieningsverzoek) afgewezen.
Vervolgens heeft verzoeker opnieuw een verzoek om herziening (tweede herzieningsverzoek) ingediend.
Bij brief van 11 november 2025 is verzoeker uitgenodigd voor de zitting bij de Raad. Daarbij is aan hem meegedeeld dat M.E. Fortuin de behandelend rechter zal zijn.
Op 13 november 2025 heeft verzoeker een verzoek om wraking ingediend.
De behandelend rechter heeft op het verzoek gereageerd en te kennen gegeven niet in de wraking te berusten.
Bij e-mailbericht van 1 december 2025 heeft verzoeker daarop gereageerd.
Verzoeker en de behandelend rechter zijn uitgenodigd om te worden gehoord ter zitting van de Raad op 16 december 2025. Verzoeker is verschenen. De behandelend rechter heeft laten weten niet te zullen verschijnen.

OVERWEGINGEN

1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Wat verzoeker heeft aangevoerd komt erop neer dat hij meent dat de behandelend rechter, die ook op het eerste herzieningsverzoek heeft beslist, niet objectief en onpartijdig over het tweede herzieningsverzoek kan oordelen, omdat het tweede herzieningsverzoek berust op “grof plichtsverzuim” van de behandelend rechter bij de beoordeling van het eerste herzieningsverzoek. Dit is een verwijt dat volgens verzoeker per definitie de objectiviteit en onpartijdigheid van de rechter in twijfel trekt. Indien de behandelend rechter het tweede herzieningsverzoek wel beoordeelt, zou zij daarmee in strijd handelen met het beginsel dat niemand rechter is in eigen zaak en met het recht op een onpartijdig gerecht.
3.1.
Bij de beoordeling van een wrakingsverzoek moet voorop staan dat een rechter op grond van zijn of haar aanstelling geacht wordt onpartijdig te zijn. Van dit uitgangspunt moet worden afgeweken als er een uitzonderlijke omstandigheid is die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor vooringenomenheid van de rechter. De vrees voor vooringenomenheid van de rechter moet objectief gerechtvaardigd zijn.
3.2. Verder is vaste rechtspraak dat de enkele omstandigheid dat een rechter in een eerdere zaak van verzoeker een hem onwelgevallige uitspraak heeft gedaan niet kan worden gerekend tot feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. [3]
3.3.
Ter zitting heeft verzoeker toegelicht dat het grof plichtsverzuim dat hij de behandelend rechter verwijt, er in zit dat de behandelend rechter de medische informatie, die verzoeker in het hoger beroep had meegezonden en volgens hem ten onrechte niet bij de beoordeling van dat hoger beroep is betrokken, niet alsnog bij de beoordeling van het eerste herzieningsverzoek heeft betrokken. Gelet op wat is overwogen onder 3.2 kan dat niet tot toewijzing van het verzoek om wraking leiden. Dat de behandelend rechter in het kader van het tweede herzieningsverzoek rechter in eigen zaak zou zijn, kan de Raad verder niet volgen. Bij de beoordeling van het tweede herzieningsverzoek gaat het, net als bij de beoordeling van het eerste herzienigsverzoek, om de vraag of verzoeker feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die, bezien binnen het kader van artikel 8:119 van de Awb, kunnen leiden tot herziening van de oorspronkelijke uitspraak. De behandelend rechter is daarbij geen partij en verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat er een zwaarwegende aanwijzing is voor vooringenomenheid van de behandelend rechter.
4. Het voorgaande betekent dat het verzoek om wraking moet worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.
Deze beslissing is gegeven door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en C.W.C.A. Bruggeman als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2025.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) C.M. Snellenberg

Voetnoten

3.Zie bijvoorbeeld de beslissing van 4 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1787.